DIABETES  

Diabetes is een chronische aandoening waarbij het bloedsuikergehalte verhoogd is. Dit kan twee oorzaken hebben: ofwel maakt het lichaam onvoldoende insuline aan (type 1), ofwel is de geproduceerde insuline onvoldoende werkzaam, men spreekt van insuline resistentie (type 2). In beide gevallen kunnen de cellen onvoldoende suiker (glucose) opnemen, waardoor het zich ophoopt in het bloed. Deze situatie noemen we diabetes mellitus of suikerziekte.

Het makkelijkst heeft onze stofwisseling het als we pure glucose eten, druivensuiker. Daarom is dit ook een snelle stimulans voor de hersenen: de suiker raakt zeer snel via de darmen in de bloedbaan en van daaruit naar de hersenen. Zetmeel is een keten van glucose bouwstenen en dient in de darmen door de spijsverteringsenzymen eerst te worden afgebroken, daardoor stijgt de bloedsuiker spiegel trager. In het bloed zit bij gezonde mensen zo´n 60 tot 140 milligram glucose, afhankelijk van het feit of men nuchter is of een maaltijd heeft gebruik. Normaal gesproken eten we meer suiker dan nodig is. Een deel van het overschot slaat ons lichaam op in de spieren en in de lever om er vet van te maken maar het merendeel van de overtollige glucose belandt als suikervoorraad, het zogenaamde glycogeen in de cellen. In tijden van nood betrekt ons lichaam zijn energie het eerst uit deze glycogeenvoorraad. Ook 's nachts, als de laatste maaltijd al lang achter de rug is, wordt glycogeen omgezet in glucose om de suikerspiegel in het bloed op peil te houden, anders zouden onze hersenen zonder aanvoer van energie (glucose) geraken . Cellen kunnen suikers in de vorm van glycogeen niet verbranden, daarom zet de lever de glycogeen terug om naar glucose. Spieren zijn niét zo vrijgevig: ze bouwen de glycogeen pas af als ze zélf energie nodig hebben. 's Nachts is het dus de lever die ons lichaam en hersenen van energie voorziet.

De Internationale Diabetes Federatie (IDF) brengt diabetesstatistieken over de hele wereld in kaart en verzamelt ze in de Diabetes Atlas . In 1980 kwam diabetes wereldwijd bij 4.7% van de bevolking voor in de leeftijdscategorie van 20 tot 79 jaar. In 2017 was dit cijfer opgelopen tot 8.8% . Men spreekt van een wereldwijde epidemie. In Europa hebben 58 miljoen mensen tussen 20 en 79 jaar oud diabetes. Men schat dat dit tegen 2045 zal oplopen tot 67 miljoen, een stijging van 16% . In ontwikkelingslanden ziet men een evolutie naar een meer westers voedingspatroon met een toenemend aanbod aan goedkope vetrijke fastfoodproducten waardoor het voorkomen van diabetes hier ook toeneemt. In Afrika hebben 16 miljoen mensen tussen 20 en 79 jaar nu suikerziekte. Men verwacht dat dit tegen 2045 zal stijgen naar 41 miljoen, een toename van 156%. Aangezien mensen hier niet altijd toegang hebben tot gezondheidszorg zal dit heel veel medische problemen en menselijk leed met zich mee brengen in de volgende decennia.

Volgens de IDF schat men het voorkomen van diabetes in België op 8,0% van de volwassen bevolking of 1 op 12 volwassenen. Volgens voorspellingen zal dit minstens oplopen tot 9,6% of 1 op 10 volwassen Belgen in 2030. Naar schatting weet 1 op 3 van deze mensen niet dat hij of zij de aandoening heeft en wordt er dus ook niet voor behandeld. Type 2 diabetes komt frequenter voor in bepaalde bevolkingsgroepen: men ziet een twee- tot zesvoudige stijging bij personen van Turkse/Marokkaanse origine.

6,5% van de volwassen bevolking heeft 'prediabetes' : een gestoorde glucoseverwerking maar nog geen diabetes. Deze mensen lopen een aanzienlijk risico om op relatief korte termijn type 2 diabetes te ontwikkelen.

In totaal hebben aldus ruim 1 miljoen Belgen een verstoord suikermetabolisme.

0,4% van de totale Belgische bevolking, of zo'n 40.000 mensen , hebben type 1 diabetes. Type 1 diabetes wordt meestal onder de leeftijd van 40 jaar vastgesteld. Men ziet dat het op steeds jongere leeftijd begint voor te komen. Jaarlijks krijgen nu ongeveer 300 (1 op 6000) kinderen jonger dan 15 jaar, diabetes .

Het makkelijkst heeft onze stofwisseling het als we pure glucose eten, druivensuiker. Daarom is dit ook een snelle stimulans voor de hersenen: de suiker raakt zeer snel via de darmen in de bloedbaan en van daaruit naar de hersenen. Zetmeel is een keten van glucose bouwstenen en dient in de darmen door de spijsverteringsenzymen eerst te worden afgebroken, daardoor stijgt de bloedsuiker spiegel trager. In het bloed zit bij gezonde mensen zo´n 60 tot 140 milligram glucose, afhankelijk van het feit of men nuchter is of een maaltijd heeft gebruik. Normaal gesproken eten we meer suiker dan nodig is. Een deel van het overschot slaat ons lichaam op in de spieren en in de lever om er vet van te maken maar het merendeel van de overtollige glucose belandt als suikervoorraad, het zogenaamde glycogeen in de cellen. In tijden van nood betrekt ons lichaam zijn energie het eerst uit deze glycogeenvoorraad. Ook 's nachts, als de laatste maaltijd al lang achter de rug is, wordt glycogeen omgezet in glucose om de suikerspiegel in het bloed op peil te houden, anders zouden onze hersenen zonder aanvoer van energie (glucose) geraken . Cellen kunnen suikers in de vorm van glycogeen niet verbranden, daarom zet de lever de glycogeen terug om naar glucose. Spieren zijn niét zo vrijgevig: ze bouwen de glycogeen pas af als ze zélf energie nodig hebben. 's Nachts is het dus de lever die ons lichaam en hersenen van energie voorziet.

Mensen met type 1 diabetes hebben antilichamen in het bloed die gericht zijn tegen de bètacellen van de alvleesklier die zorgen voor de productie van insuline. Zij kunnen daardoor onvoldoende insuline produceren. Er is een erfelijke voorgeschiktheid tot het ontwikkelen van diabetes type 1 maar men vermoed dat ook andere factoren zoals virale infecties en stoornissen in het immuunsysteem de aanmaak van antistoffen in gang zetten.

Het makkelijkst heeft onze stofwisseling het als we pure glucose eten, druivensuiker. Daarom is dit ook een snelle stimulans voor de hersenen: de suiker raakt zeer snel via de darmen in de bloedbaan en van daaruit naar de hersenen. Zetmeel is een keten van glucose bouwstenen en dient in de darmen door de spijsverteringsenzymen eerst te worden afgebroken, daardoor stijgt de bloedsuiker spiegel trager. In het bloed zit bij gezonde mensen zo´n 60 tot 140 milligram glucose, afhankelijk van het feit of men nuchter is of een maaltijd heeft gebruik. Normaal gesproken eten we meer suiker dan nodig is. Een deel van het overschot slaat ons lichaam op in de spieren en in de lever om er vet van te maken maar het merendeel van de overtollige glucose belandt als suikervoorraad, het zogenaamde glycogeen in de cellen. In tijden van nood betrekt ons lichaam zijn energie het eerst uit deze glycogeenvoorraad. Ook 's nachts, als de laatste maaltijd al lang achter de rug is, wordt glycogeen omgezet in glucose om de suikerspiegel in het bloed op peil te houden, anders zouden onze hersenen zonder aanvoer van energie (glucose) geraken . Cellen kunnen suikers in de vorm van glycogeen niet verbranden, daarom zet de lever de glycogeen terug om naar glucose. Spieren zijn niét zo vrijgevig: ze bouwen de glycogeen pas af als ze zélf energie nodig hebben. 's Nachts is het dus de lever die ons lichaam en hersenen van energie voorziet.

De belangrijkste risicofactoren voor het ontwikkelen van diabetes type 2 zijn overgewicht, te weinig lichaamsbeweging, een ongezonde voeding en toenemende leeftijd. Een erfelijke aanleg speelt ook hier een rol. Vroeger sprak men van 'ouderdomsdiabetes' doch door een toenemende ongezonde levensstijl begint de aandoening op steeds jongere leeftijd .

Dagelijks minimum 30 minuten matig intensief bewegen verlaagt het risico op diabetes met 30% . Dit mag gespreid over de dag, met minimum 10 minuten aan één stuk : goed doorwandelen, fietsen, zwemmen , ... Dwing jezelf om meer te bewegen door je auto wat verder te parkeren zodat je nog een eindje moet stappen, neem voor kleine afstanden de fiets, neem de trap in plaats van de lift. Streef ernaar om dagelijks 10000 stappen te zetten. Na een half uurtje zitten zou je best even rond lopen.

Voldoende slaap en het vermijden van stress horen ook bij een gezonde levensstijl. Roken verhoogt je risico op hart- en vaatziekten, kanker maar ook op suikerziekte en is absoluut uit den boze.

Als je overgewicht hebt zorgt een 5% daling van het lichaamsgewicht voor een daling van je diabetesrisico met 30% !

Een voedingspatroon dat rijk is aan vezels door inname van groenten, fruit, volkoren graanproducten, peulvruchten, noten en zaden, en arm aan vetten (vooral arm aan verzadigde vetten , hoofdzakelijk te vinden in dierlijke producten ) zal het risico op diabetes laag houden. Een goed uitgebalanceerd vetarm plantaardig voedingspatroon zorgt ervoor dat je niet teveel calorieën opneemt en dat je een gezond lichaamsgewicht behoudt.

 Een gezonde darmflora speelt hier een belangrijke rol in. De consumptie van snelle suikers (toegevoegde suikers in snoep, frisdrank, koekjes...) en kunstmatige zoetstoffen (light producten, light frisdranken ) zorgt voor een overgroei van slechte darmbacteriën. Bacteriën floreren enkel wanneer ze voedsel krijgen. Mensen die zichzelf beschrijven als iemand die snel dik wordt hebben meestal andere bacteriën in de darmen dan mensen die zonder veel moeite slank blijven. De damflora bij mensen met overgewicht is meestal niet gezond : de dikmakende bacteriën uit de groep van de Firmicutes verdringen de rank-en-slank bacteriën uit de familie Bacteroides. Men ziet hierbij een verhoogde opname van calorieën uit de voeding. Onderzoek heeft uitgewezen dat de 'dikke darmflora' dagelijks ongeveer 150 tot 200 calorieën meer uit de voeding haalt dan een 'slanke darmflora'. Onderzoek bij muizen heeft aangetoond dat slanke muizen die een stoelgangtransplantatie kregen van dikke muizen, met dezelfde voeding , snel omvangrijke buikjes kregen. Ook bij mensen is een enorme gewichtstoename vastgesteld als de stoelgang van iemand met overgewicht getransplanteerd wordt naar een slanke patiënt. Deze ingreep wordt soms toegepast om darminfecties te behandelen waarbij antibiotica niet meer helpen, bijvoorbeeld bij Clostridium difficile infecties. Wie de juiste bacteriën in zijn darm heeft neemt minder calorieën op uit de voeding, maakt ook meer verzadigingshormoon aan en slaat minder vetweefsel op. Verzadigingshormoon wordt door darmbacteriën aangemaakt als deze bacteriën voldoende voor hen gezond voedsel krijgen , prebiotica. Voorbeelden van prebiotica zijn vezels , inuline (in oa . witloof, ui, look , bieslook, schorseneren, asperges, aardpeer, pastinaak, zoete aardappel , andijvie), fructo-oligoschacharide /oligofructose ( in rogge, haver, ui, look, bananen, tomaten, asperges, bier) en resistent zetmeel ( in groene bananen, grove havermout, witte, rode en groene bonen , linzen, gerst, afgekoelde gekookte aardappelen, afgekoelde gekookte rijst, volkoren haverbrood, gekookte en afgekoelde havermoutpap). Zetmeel bestaat uit glucoseketens die veel of weinig vertakkingen kunnen hebben. Hoe minder vertakte ketens in zetmeel voorkomen, hoe langzamer en slechter het in de darm verteerd kan worden. Sommige zetmeelsoorten zijn zo opgebouwd dat de verteringsenzymen ze niet kunnen afbreken. Men noemt dit resistent zetmeel (resistant starch) . De opbouw van zetmeel kan veranderen met de bereiding van een product. Als gekookte aardappelen afkoelen, verandert een deel van het zetmeel in die aardappelen zo dat het niet meer of moeilijker kan worden afgebroken en verteerd. Dat heet retrogradatie. De glucose uit dit zetmeel komt dan ook nauwelijks in het bloed terecht.

Andere voedingsmiddelen met prebiotische eigenschappen zijn groene thee, veenbessen, donkere chocolade, koffie, appels met schil, rode wijn en bier.

Het verzadigingshormoon wordt naar de hersenen getransporteerd, daar bindt het zich aan bepaalde zones waardoor we een verzadigingsgevoel krijgen en stoppen met eten. Dat hormoon verhoogt daarenboven ook onze stressbestendigheid.

Wanneer we eten zullen de veerteerbare koolhydraten in de voeding (niet de vezels en het resistent zetmeel ) na vertering in onze darmen opgenomen worden in het bloed, de bloedsuikerspiegel (glucosespiegel) zal stijgen. Glucose gaat vanuit het bloed de bètacellen ( de cellen in de alvleesklier die insuline produceren ) binnen dringen. Dit leidt tot afgifte van insuline in het bloed. De consumptie van suikers (snelle en trage suikers) leidt dus tot de afgifte van insuline door de alvleesklier .

Insuline heeft verschillende functies : de belangrijkste taak is ervoor zorgen dat glucose uit het bloed in de weefsels (lever, spiercellen, hersenen) wordt gebracht waardoor de bloedsuikerspiegel weer daalt . Daarnaast stimuleert insuline de aanmaak van glycogeen in de spieren waar 80% van de glycogeen voorraad aanwezig is en in de levercellen (20%) , in mindere mate ook in de hersenen , het bloed, de nieren en in witte bloedcellen . De opgenomen glucose wordt alzo omgezet in een energievoorraad (glycogeen) die we kunnen aanspreken wanneer we vasten of intensief gaan sporten. Een volwassen persoon van 80 kg heeft een voorraad aanspreekbare koolhydraten in het lichaam van ongeveer 500g, dit vertegenwoordigt een 2000 calorieën. Insuline zorgt voor het transport van glucose door de celwand naar het binnenste van de cel waar glucose wordt gebruikt voor de celademhaling en deels wordt omgezet in glycogeen. Adrenaline en glucagon (een hormoon dat ook geproduceerd wordt door de alvleesklier) doen het omgekeerde : ze breken glycogeen weer af tot glucose zodat we onze reserves kunnen aanspreken. Bij een gemiddelde mens volstaat de glycogeenvoorraad in de spieren en de lever om een uur tot anderhalf uur intensief te sporten. Wanneer men de direct beschikbare energievoorraad in het lichaam daarna niet aanvult, zal men een honger krijgen en zullen de prestaties sterk verminderen.

Insuline bevordert ook de opname van vetzuren en aminozuren (eiwitbouwstenen) in de weefsels vanuit het bloed . Het zorgt voor de oxidatie van vetzuren zodat we die als energiebron kunnen gebruiken wanneer nodig en de opslag van vetzuren in de vorm van triglyceriden om later gebruikt te kunnen worden. Insuline zorgt voor de aanmaak van eiwitten in onder andere spierweefsel en zorgt ervoor dat eiwitten ook gebruikt kunnen worden als energiebron.

Glucose is de belangrijkste energiebron van ons lichaam. Onze hersenen werken enkel op glucose, ze verbranden ongeveer 140 gram glucose per dag. Dat is net zoveel als tien lepels suiker.

Het makkelijkst heeft onze stofwisseling het als we pure glucose eten, druivensuiker. Daarom is dit ook een snelle stimulans voor de hersenen: de suiker raakt zeer snel via de darmen in de bloedbaan en van daaruit naar de hersenen. Zetmeel is een keten van glucose bouwstenen en dient in de darmen door de spijsverteringsenzymen eerst te worden afgebroken, daardoor stijgt de bloedsuiker spiegel trager. In het bloed zit bij gezonde mensen zo´n 60 tot 140 milligram glucose, afhankelijk van het feit of men nuchter is of een maaltijd heeft gebruik. Normaal gesproken eten we meer suiker dan nodig is. Een deel van het overschot slaat ons lichaam op in de spieren en in de lever om er vet van te maken maar het merendeel van de overtollige glucose belandt als suikervoorraad, het zogenaamde glycogeen in de cellen. In tijden van nood betrekt ons lichaam zijn energie het eerst uit deze glycogeenvoorraad. Ook 's nachts, als de laatste maaltijd al lang achter de rug is, wordt glycogeen omgezet in glucose om de suikerspiegel in het bloed op peil te houden, anders zouden onze hersenen zonder aanvoer van energie (glucose) geraken . Cellen kunnen suikers in de vorm van glycogeen niet verbranden, daarom zet de lever de glycogeen terug om naar glucose. Spieren zijn niét zo vrijgevig: ze bouwen de glycogeen pas af als ze zélf energie nodig hebben. 's Nachts is het dus de lever die ons lichaam en hersenen van energie voorziet.

De opslagcapaciteit aan glycogeen is maar voor ongeveer 24 uur. Houden de tijden van nood langere tijd aan, bijvoorbeeld omdat we een dieet volgen, dan schakelt onze stofwisseling over op een noodprogramma: dan gaan we in de lever glucose aanmaken uit lichaamseigen eiwitten .

Het lichaam kan maar weinig glucose opslaan. Daarom worden de koolhydraten uit het eten en drinken vooral verbrand. Als je veel koolhydraten eet en als je daarnaast meer calorieën binnenkrijgt dan je verbruikt, haalt het lichaam vooral energie uit koolhydraten en slaat het lichaam vooral het vet uit de voeding op. Te veel calorieën opnemen , of deze uit koolhydraten, vetten, of eiwitten komen , leidt altijd tot een toename in lichaamsvet. Bij een gezond eetpatroon neem je evenveel calorieën op als je verbruikt. Dit noemt men een stabiele energiebalans.

Bij een normaal voedingspatroon, en een stabiele energiebalans, wordt glucose maar voor een klein deel (1-3%) omgezet in vet (triglyceriden). In een WFPBD haal je 70 tot 80% van je calorieën uit koolhydraten, 10 tot 15% uit vetten en 8-12% uit eiwitten. Daarbij is het zeer belangrijk om voldoende onverteerbare koolhydraten onder vorm van vezels op te nemen.

Onderzoek heeft aangetoond dat mensen die veel vezels binnenkrijgen via een vezelrijke voeding een kleinere kans hebben op diabetes type 2 .

Aanbeveling wat betreft de dagelijkse inname van vezels in gram/dag:

In 1935 verscheen van de Britse wetenschapper Harold Himsworth (1905-1993) een belangrijke publicatie in Clinical Science (Clinical Science 1935 Vol.2 pp.95-115) :

"The diet of diabetics prior to the onset of the disease " . Hij toonde aan dat het voedingspatroon van diabetici vóór het begin van hun ziekte, in vergelijking met het dieet van normale personen, dezelfde hoeveelheid eiwit bevatte maar minder koolhydraten en een verhoogde hoeveelheid vetten. Een dieet arm aan koolhydraten en rijk aan vetten vermindert de gevoeligheid voor insuline en werkt het ontstaan van diabetes in de hand. Ermee samenhangend zag hij ook meer overlijdens ten gevolge van diabetes bij mensen met een koolhydraat arm en vetrijk voedingspatroon.

Het ontstaan van diabetes is niet het gevolg van een overvloedige consumptie van suikers (koolhydraten) maar wel het gevolg van de inname en opstapeling van vetten in het lichaam.

In 1922 werd door Frederick Banting de eerste diabetespatiënt, Leonard Thompson, behandeld met externe insuline. Studies in de jaren 30 toonden aan dat een dieet rijk aan koolhydraten (trage suikers ! ) de insuline gevoeligheid bij diabetes patiënten verbeterde zodat er minder insuline moest toegediend worden. Een dieet rijk aan vetten daarentegen verlaagde de gevoeligheid voor insuline waardoor meer externe insuline moest toegediend worden om de bloedsuiker onder controle te houden.

Vetweefsel is een type bindweefsel dat opgeslagen vet bevat. Dit vet bevindt zich in de vetcellen . Eens we volwassen zijn blijft de hoeveelheid vetcellen in ons lichaam constant. Bij mannen bestaat ongeveer 15-20% van het lichaamsgewicht uit vetweefsel en bij vrouwen 20-25% van het lichaamsgewicht. De voornaamste functie van vetweefsel is de opslag van energie in de vorm van vet. Het dient als een reserve van voedingsmiddelen. De onderhuidse vetlaag zorgt voor isolatie van het lichaam. Rond de organen heeft het vetweefsel een beschermende en ondersteunende rol. Vetten in de voeding worden opgeslagen in het vetweefsel. Bij de regeling van opslag van en het vrijkomen van vet zijn hormonen betrokken. Deze hormonen worden door het vetweefsel zelf aangemaakt. Een voorbeeld hiervan is leptine. Leptine doet het hongergevoel afnemen.

De laatste jaren is duidelijk geworden dat een toename van de hoeveelheid vetweefsel (vooral het viscerale vetweefsel in de buikholte of het buikvet ) leidt tot verminderde werking van insuline op het niveau van de skeletspier en lever. De hormonen geproduceerd in het vetweefsel spelen hierin een belangrijke rol. Niet alleen de absolute hoeveelheid vetweefsel is van belang, maar ook de verdeling en lokalisatie van vet in het lichaam, te veel buikvet is een belangrijke risicofactor voor het metabool syndroom.

Het metabool syndroom is een chronisch stofwisselingsprobleem dat gekenmerkt wordt door de combinatie van een gestoord bloedsuikergehalte, hoge bloeddruk, obesitas , te veel vetten in het bloed (laag HDL cholesterol en hoog triglyceridengehalte), stoornissen in de bloedstolling (verhoogd risico op bloedklontervorming). Dit kan uiteindelijk leiden tot hart- en vaatziekten, diabetes type 2 en mogelijk sommige vormen van kanker.

Volgens de International Diabetes Federation (2005) spreekt men van metabool syndroom als aan de volgende criteria is voldaan: • Buikomtrek (abdominale obesitas): >94 cm bij mannen, >80 cm bij vrouwen

plus tenminste twee van de volgende kenmerken:

• een nuchtere glucose waarde in het bloed >100 mg/dL (5,6 mmol/L) of reeds de diagnose van suikerziekte hebben

• verstoorde vetzuurhuishouding (triglyceriden in het bloed >150 mg/dL (1,7 mmol/L) of een behandeling met cholesterolverlagende medicatie

• HDL-cholesterol <40 mg/dL bij mannen, < 50 mg/dl bij vrouwen, of een behandeling hiervoor

• bloeddruk > 130/85 mmHg of een behandeling voor hoge bloeddruk

Vooral overgewicht met teveel lichaamsvet en weinig lichaamsbeweging bevorderen de ontwikkeling van het metabool syndroom. Ook een gestoord dag-nachtritme zou bijdragen tot de ontwikkeling van het metabool syndroom.

Ongeveer 15% van de (ogenschijnlijk) gezonde bevolking tussen 25 en 50 jaar zou metabool syndroom hebben. De aandoening neemt toe met de leeftijd: tussen 40 en 50 jaar zouden 30% van de mannen en 20% van de vrouwen het metabool syndroom hebben. Tussen 50 en 60 stijgt dat tot 40% bij de mannen en 35% bij de vrouwen. Vanaf 60 jaar komt het meer voor bij vrouwen dan bij mannen.

Eens de vetcellen in ons vetweefsel ( de opslagplaats van vet in ons lichaam ) volledig gevuld zijn zal vet circuleren in de bloedbaan, je kan het beschouwen als een emmer die overloopt in de bloedbaan. Alzo kunnen vetten ook opgeslagen worden in andere weefsels zoals de lever en spieren wat leidt tot insulineresistentie. Bij magere mensen zijn de vetcellen weinig gevuld, bij zwaarlijvige personen zijn de vetcellen overvol , die hebben dan ook een dikkere vetlaag.

Het zijn vooral verzadigde vetten in de voeding zoals palmitinezuur, aanwezig in vlees, eieren en zuivel , die insulineresistentie veroorzaken. Het onverzadigd vet oleïnezuur (omega 9) aanwezig in noten, olijven en avocado verbetert eerder de insulinegevoeligheid.

Verzadigde vetten in de spiercellen zorgen voor de productie van toxische afbraakproducten , verhoogde oxidatieve stress en ontsteking met vorming van vrije radicalen wat een verminderde signaalfunctie van insuline veroorzaakt. Dit noemt met insulineresistentie . Insulineresistentie begint een tiental jaar vooraleer diabetes wordt gediagnosticeerd.

In de lever wordt glycogeen (glucose voorraad) afgebroken tot glucose om ons van energie te voorzien wanneer er geen glucose via de voeding aangevoerd wordt, wanneer er dus ook geen insuline geproduceerd wordt door de alvleesklier. 's Nachts produceert de lever alzo glucose uit glycogeen om onze hersenen van energie te voorzien en dit door toedoen van het hormoon glucagon dat ook in de alvleesklier wordt geproduceerd . Wanneer we overdag eten en er insuline aangemaakt wordt krijgt de lever het signaal dat hij geen glycogeen moet afbreken tot glucose. Vetten die circuleren in het bloed zullen ook opgeslagen worden in de lever, net zoals in de spieren. Dit zorgt ervoor dat ook de lever resistent wordt aan het insulinesignaal net zoals dat gebeurt in de spieren wanneer vetzuren zich opstapelen in de cellen. De lever zal continu glycogeen afbreken tot glucose dat in de bloedbaan terecht komt waardoor de bloedsuikerspiegels verder de hoogte in gaan. Dit zorgt ervoor dat er in de loop van de tijd steeds meer medicatie moet toegediend worden om bloedsuikerspiegels onder controle te houden bij diabetespatiënten. Wanneer ook de alvleesklier (pancreas) vervet zal de insulineproductie dalen tot ze uiteindelijk volledig uitgeput is en de diabetes patiënt insuline moet inspuiten. Door te vermageren zullen patiënten met diabetes type 2 terug meer insuline gaan produceren in de alvleesklier.

Het is wetenschappelijk aangetoond dat een WFPBD , een volledig plantaardig voedingspatroon bestaande uit volkoren graanproducten , groenten, fruit, noten , zaden en peulvruchten en zo min mogelijk bewerkt voedsel , insulineresistentie vermindert en zorgt voor een betere controle van het suikermetabolisme en dit via verschillende mechanismen. Een goed uitgebalanceerd plantaardig voedingspatroon is rijk aan vezels, antioxidanten en magnesium, die allemaal aangetoond hebben de insulinegevoeligheid te bevorderen. Antioxidanten zoals polyfenolen kunnen de glucose opname remmen, de insulineaanmaak stimuleren en ze verminderen de productie van glucose in de lever .

Vezels , die alleen in plantaardig voedsel aanwezig zijn , moduleren de glucoserespons na de maaltijd, ze worden gefermenteerd door de darmbacteriën om korte keten vetzuren te produceren die ook zorgen voor een verbetering van de glucoserespons, de insulinesignaalfunctie en insulinegevoeligheid. Bovendien verminderen vezels de energiedichtheid van voedingsmiddelen en bevorderen ze verzadiging wat in verband gebracht wordt met gewichtsverlies, wat op zijn beurt de insulineresistentie vermindert. Voedingsvezels zijn gerelateerd aan lagere ontstekingsparameters wat ook de insulineresistentie zal verbeteren. Tenslotte heeft een dieet rijk aan plantaardig voedsel en weinig vlees gunstige effecten op de stofwisseling door een positieve invloed uit te oefenen op het darmmicrobioom , waardoor de productie van trimethylamine N-oxide (TMAO) daalt , een stof die ook gerelateerd is aan insuline resistentie.

Verzadigde vetten, die vooral aangetroffen worden in dierlijk voedsel, dragen ​​bij tot lipotoxiciteit, een fenomeen waarbij toxische vetmetabolieten accumuleren in lever- en skeletspiercellen. Deze hebben een negatieve invloed op de insulinesignaalfunctie waardoor de glucoseopname in de cellen daalt. In vergelijking met een conventioneel diabetesdieet vermindert een WFBD beter de hoeveelheid buikvet en de markers voor oxidatieve stress bij diabetes type 2 patiënten.

Er is ondertussen een algemene consensus dat een WFBD een zeer gunstige invloed heeft op de preventie van diabetes type 2 en de behandeling ervan. Tegelijkertijd pakt het ook hart- en vaatziekten aan , overgewicht, hoge bloeddruk, verhoogde cholesterolwaarden in het bloed en ontstekingsprocessen in het lichaam. Tevens is er een verlaagd risico op kanker .

De Wereldgezondheidsorganisatie en de Verenigde Naties promoten ondertussen een meer plantaardig voedingspatroon , niet alleen omdat het efficiënt is in de preventie en behandeling van welvaartsziekten maar ook omdat het duurzamer en milieuvriendelijker is dan voedingspatronen die rijk zijn aan dierlijke producten.

 Referenties:

*Diabetes Res Clin Pract. 2018 Apr;138:271-281. doi: 10.1016/j.diabres.2018.02.023. Epub 2018 Feb 26

*www.diabetes.be

*"Slim en gelukkig dankzij gezonde darmen ", Prof. dr. Michaela Axt-Gadermann

*"The diet of diabetics prior to the onset of the disease ", Harold Himsworth , Clinical Science 1935 Vol.2 pp.95-115

*"A plant-based diet for the prevention and treatment of type 2 diabetes", Journal of Geriatric Cardiology (2017) 14: 342354 ©2017 JGC All rights reserved; www.jgc301.com

*A low-fat vegan diet and a conventional diabetes diet in the treatment of type 2 diabetes: a randomized, controlled, 74-wk clinical trial, , Neal D Barnard, Joshua Cohen, David JA Jenkins, Gabrielle Turner-McGrievy, Lise Gloede, Amber Green, and Hope Ferdowsian, Am J Clin Nutr. 2009 May; 89(5): 1588S-1596S.


INTERESSANTE LINKS :

* The Latest Scams from the Diabetic Industry

https://www.youtube.com/watch?v=UgE2IdL6tMw


* MASTERING DIABETES

https://www.masteringdiabetes.org/success/